Gedragscode

gedragscode1

 

In januari 2003 is bij Stichting 'Sint Bavo' de onderstaande Gedragscode van kracht verklaard.

Inhoud

  1. Doel
  2. Gedragsregels
  3. Het omgaan met leerlingen
  4. Het omgaan met ouders
  5. Het omgaan met collega's
  6. Het pestprotocol
  7. Procedure schorsen en verwijderen
  8. Privacy
  9. Slotbepalingen

1 Doel

De gedragscode wil bijdragen aan een schoolklimaat dat zich kenmerkt door acceptatie, respect, veiligheid en vertrouwen. Een dergelijk klimaat is een voorwaarde voor alle leden van de schoolgemeenschap om optimale leer- en werkprestaties te kunnen leveren. Deze regels zijn opgesteld door het PPSI rekening houdend met aanbevelingen van de vertrouwensinspecteurs voor het basisonderwijs. De regels zijn aangevuld zodat deze code aansluit op de behoeften van Stichting Sint Bavo.

2 Gedragsregels

  • Een personeelslid of leerling maakt geen misbruik van zijn of haar macht.
  • In nood handelt een personeelslid/leerling naar beste vermogen adequaat, ook indien daardoor de regels van deze gedragscode worden overtreden.
  • Een personeelslid of leerling geeft een ander geen ongewenst seksueel getinte aandacht.
  • Leerkrachten hebben een meldingsplicht (aan directie en bestuur) inzake vermoeden van seksuele intimidatie. Het bestuur heeft in deze een aangifteplicht.
  • Een personeelslid of leerling onthoudt zich van seksistisch taalgebruik en seksueel getinte grappen of andere uitingen (ook tekeningen, posters, enz.), die als kwetsend voor een bepaalde sekse kunnen worden opgevat.
  • Een personeelslid of leerling discrimineert een ander niet. Dat betekent dat hij of zij geen enkele vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur toepast, waardoor de gelijkheid van rechten en/of fundamentele vrijheden van anderen worden aangetast.
  • Een personeelslid of leerling geeft geen uiting aan racistische opvattingen. Dat betekent dat hij of zij geen mening geeft over superioriteit of inferioriteit van lichamelijke kenmerken van mensen, van hun cultuur of van beide.
  • Een personeelslid of leerling spreekt een ander niet aan op uiterlijk of seksuele geaardheid.
  • Een personeelslid of leerling valt een ander niet fysiek en/of psychisch lastig, bedreigt een ander niet, valt een ander niet aan en negeert een ander niet. Lichamelijk geweld wordt niet getolereerd, ook niet als strafmaatregel. Fysiek corrigeren van een leerling kan nodig zijn als individuele- of groepsbelangen in het geding komen. Dit kan alleen als alle andere methoden niet werken.
  • Een personeelslid of leerling dringt zijn/haar mening niet op aan een ander.
  • Een personeelslid of leerling dringt niet binnen in de persoonlijke levenssfeer van de ander.
  • Een personeelslid of leerling houdt zich aan deze gedragsregels en ziet erop toe dat deze gedragsregels ook door anderen binnen de organisatie worden nageleefd.

3 Het omgaan met leerlingen

3.1 Èèn-op-èèn-contact leerkracht-leerling

  • Leerlingen worden buiten schooltijd buiten medeweten van de ouders niet langer dan een half uur alleen op school gehouden - de leerling is altijd zichtbaar voor anderen. De leerkracht probeert de ouders over het langere verblijf op school zo spoedig mogelijk te informeren.
  • Leerlingen worden niet bij medewerkers thuis uitgenodigd, tenzij met medeweten en goedkeuring van de ouders en onder vermelding van de reden van het verblijf. In zo'n geval dient tussen medewerker en ouders te zijn afgesproken op welke tijd en wijze het kind wordt opgehaald of gebracht - dan wel zelfstandig naar huis gaat.
  • Een kind dat verschoond wordt, ontvangt op een daartoe geschikte plaats de benodigde verzorging.

3.2 Troosten, belonen en feliciteren in de schoolsituatie

  • Vanaf het VSO worden kinderen niet meer getroost bij verdriet of pijn door middel van knuffelen, enz. De wensen en gevoelens van zowel kinderen als ouders hieromtrent worden gerespecteerd. Spontane reacties vanuit de kinderen zelf zijn, ook in hogere groepen, acceptabel - maar dienen niet of terughoudend beantwoord te worden.
  • De wensen en gevoelens van zowel kinderen als ouders t.a.v lichamelijk contact wordt altijd gerespecteerd. Spontane reacties van de kinderen zelf zijn, ook in de hogere groepen, acceptabel, maar dienen niet of terughoudend beantwoord te worden.
  • Feliciteren moet spontaan kunnen gebeuren. De leerkrachten houden hierbij rekening met het hierboven vermelde. In alle groepen volgt de leerkracht zijn/haar eigen gewoonte in deze, rekening houdend met wat de kinderen als normaal ervaren.

3.3 Hulp bij aan- en uitkleden

  • Waar dit tot de schoolcultuur hoort, kleden jongens en meisjes uit de onderbouw gemengd om.
  • In de onderbouw komt het regelmatig voor dat kinderen geholpen moeten worden bij het aan- en uitkleden. Ook in de middenbouw en bij laag functionerende kinderen in de bovenbouw/vso kan het nog een enkele keer voorkomen. Deze hulp behoort tot de normale taken van een leerkracht.
  • De leerkracht houdt in de kleedruimte toezicht bij het aan- en uitkleden in groepen indien de veiligheid en goede orde dit noodzakelijk maakt.
  • Daar waar hulp bij aan- en uitkleden nauwelijks meer nodig is kan het in bepaalde situaties toch voorkomen (bij musicals bijv.) dat hulp nodig is. De leerkracht houdt hier rekening met wensen en gevoelens van leerlingen.
  • De Schelp zorgt er altijd voor dat, vanaf de middenbouw, mannelijke begeleiders bij de jongens in de kleedkamer assisteren indien nodig en vrouwelijke begeleiders bij de meisjes. Op deze manier wordt rekening gehouden met het zich ontwikkelende schaamtegevoel bij jongens en meisjes.
  • Waar daarover tussen directie en MR overeenstemming is bereikt, kan op het punt van het toezicht op kleedkamers en douchen de code worden aangepast aan de plaatselijke behoeften.

3.4 Buitenschoolse activiteiten

  • Tijdens het schoolkamp slapen mannelijke begeleiders bij de jongens, en vrouwelijke begeleiders bij de meisjes. Indien dit niet mogelijk is, wordt dit vooraf aan de leerlingen kenbaar gemaakt.
  • Tijdens het aan- en uitkleden worden de betreffende ruimten uitsluitend door de leiding betreden na een duidelijk vooraf gegeven teken (zie ook hierboven). Indien er hulp geboden wordt bij ongevallen, ziekte of in andere situaties waarbij het schaamtegevoel van de kinderen een rol kan spelen, wordt, rekening houdend met de aanwezige mogelijkheden, de uitdrukkelijke wens van het kind gerespecteerd.
  • Jongens en meisjes maken, vanaf de middenbouw, gebruik van gescheiden douches en toiletten, dan wel douchen gescheiden na elkaar.
  • Bij te ondernemen activiteiten wordt rekening gehouden met de eigenheid van beide seksen.
  • De goede spontaniteit in de omgang van leiding en kinderen, en kinderen onderling, dient gewaarborgd te blijven.

4 Het omgaan met ouders

4.1 Ouders worden (in hun rechten en plichten) erkend als eerstverantwoordelijken voor het welzijn en de opvoeding van hun kinderen.

4.2 Wat voor personeelsleden geldt (zie 2 Gedragsregels) is binnen schoolverband ook van toepassing op ouders in hun onderlinge relatie als op ouders en leerkrachten in hun onderlinge relatie.

4.3 Leerkrachten proberen problemen met ouders eerst zelf op te lossen. Zij consulteren eventueel collega's (m.n.voorgangers) en zonodig daarna de directie. Indien zij een probleem niet kunnen oplossen, melden personeelsleden dat aan de directeur, opdat deze zijn verantwoordelijkheid kan nemen.

4.4 Ouders die eerst naar de directie stappen in verband met een probleem worden door de directie terugverwezen naar de leerkracht. Als ouders melden dat ze er met de leerkracht niet uitkomen, dan zou de directie inmiddels al door de betrokken leerkracht op de hoogte gebracht moeten zijn. Leerkrachten moeten hiervan dus tijdig melding maken bij de directie (zie 4.3).
Het handelen moet altijd probleemoplossend gericht zijn. Leerkrachten zullen daarbij kritisch moeten zijn op hun eigen handelen. Een kwetsbare opstelling kan het pad effenen om een probleem op te lossen, want ook leerkrachten maken fouten. Dat neemt niet weg dat we als scholenorganisatie regels en grenzen stellen. Het is zaak om daar als zodanig mee om te gaan.

4.5 Indien ouders een klacht willen indienen, voorziet de directie in de klachtenregeling resp. verwijst de directie de ouders naar het bestuur en/of naar de vertrouwenspersoon.

5 Het omgaan met collega's

5.1 Collegialiteit

Collegialiteit is een belangrijke voorwaarde om goede, functionele samenwerking tot stand te brengen. De onderlinge samenwerking draagt bij aan het bereiken van een hoge onderwijskwaliteit. We bevorderen collegialiteit door het rechtstreeks aanspreken van elkaar in plaats van het indirect meningen over elkaar ventileren. De slogan is dan ook: We praten mÈt collega's, niet over collega's.

5.2 Contacten

In een organisatie waar mensen samenwerken, zowel binnen als buiten de school, maar ook zeer solistisch werk verrichten in de eigen groep, is het van belang dat er goed onderling contact is. De kwaliteit van het onderwijs is daarmee gediend, maar ook de onderlinge sfeer, het klimaat van de school.
Naast contacten die voortvloeien uit de uitoefening van de functie en die dus een verplichtend karakter hebben, zoals teamoverleg, ouderavonden, de sportdag, het schoolfeest, jaaropening of -sluiting, zijn er contacten die niet verplichtend zijn, maar waarbij ieders aanwezigheid als vanzelfsprekend dan wel als gewenst wordt beschouwd.
Denk hierbij aan: gezamenlijk koffiedrinken voor, tijdens of na lestijd, een gezamenlijke lunch, een diner bij een gelegenheid (jubileum, jaarsluiting), een maandborrel, enzovoort. Een en ander volgens de schoolspecifieke afspraken en uitgesproken verwachtingen.
Onder informele contacten kunnen ook bezoeken vallen aan collega¥s die arbeidsongeschikt zijn.
Natuurlijk kunnen er omstandigheden zijn waardoor deelname aan een activiteit niet mogelijk is. Het gaat erom dat de collega¥s daar met elkaar op een open manier over kunnen spreken en met begrip voor elkaar met verschillen kunnen omgaan.

5.3 Handelwijze bij onderlinge problemen voor alle teamleden

Mochten er in de onderlinge samenwerking irritaties ontstaan, dan is het de plicht van beide partijen hier snel en adequaat op te reageren. Om eventuele problemen te kunnen aanpakken, is het zaak deze direct bespreekbaar te maken met betrokkene en niet te wachten tot 'de maat vol is'. Er samen in goed overleg uitkomen is in de meeste gevallen de beste handelwijze. Lukt dat niet, dan kan een andere collega om advies gevraagd worden. Het doel hierbij is om te komen tot handvatten die de collega kunnen helpen om tot een gesprek te komen. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om gelijk te halen of te krijgen voor het beoogde probleem. Het is ook niet correct met andere collega's het probleem op inhoud te bespreken, het is immers niet hun probleem.
Daarbij breng je je collega('s) in een loyaliteitsconflict. E.e.a. leidt tot negatieve stemming die niet bijdraagt aan een professionele, gezonde schoolcultuur. Onderlinge problemen horen dus niet thuis in vergaderingen, koffie-, thee- of lunchpauzes of andere informele bijeenkomsten. Daarmee wordt het probleem alleen maar verergerd. Hiermee zet je 'het aapje op de schouder' van collega's die er vervolgens niets mee kunnen.

6 Het pestprotocol

Onze school wil een veilige en prettige omgeving bieden waarin de kinderen zich thuisvoelen. Om te komen tot een respectvolle en sociaal aanvaardbare omgang met elkaar zijn er per groep met de kinderen spelregels afgesproken. Elk jaar worden deze opnieuw afgesproken en wordt er in een reeks lessen aandacht besteed aan het op een goede manier met elkaar omgaan.
Opdat eenieder weet waar hij/zij zich aan te houden heeft, is het 'pestprotocol' opgesteld dat u hieronder kunt lezen. Wij verwachten dat iedereen zich houdt aan deze afspraken en dat iedereen weet welke consequenties het heeft als het protocol wordt overtreden.

Schoolregels met betrekking tot pesten

1. Voor ons betekent pesten:

'Gedrag dat min of meer bewust gericht is op èèn of meer kinderen en dat tot doel en tot gevolg heeft dat degene die gepest wordt, zich gekwetst, geraakt, vernederd, afgewezen en/of buitengesloten voelt.'

2. Wij (het bestuur, de directie, de leerkrachten, de ouders en de leerlingen) tolereren geen:

  • Lichamelijk geweld: bijv: aan een ander 'zitten' zonder dat hij/zij dit zelf wil;
  • Materieel geweld: we respecteren elkaars eigendommen. Wij blijven van elkaars spullen af;
  • Verbaal geweld: we gebruiken naar elkaar aanvaardbaar taalgebruik, geen grofheden of scheldwoorden en we letten op de juiste toon;
  • Non-verbaal geweld: we letten in taalgebruik en houding op respect voor de ander.

3. Wij (het bestuur, de directie, de leerkrachten, de ouders en de leerlingen) houden ons aan de hieronder beschreven regels:

  • Wij pesten anderen niet: alle kinderen gunnen wij dezelfde 'blik'.
  • Wij helpen anderen die gepest worden: wanneer een kind merkt dat een medeleerling de dupe is van pestgedrag, meldt hij/zij dit aan de leerkracht. Wanneer een ouder merkt dat een kind pest of slachtoffer is, meldt hij/zij dit aan de leerkracht.

Per groep worden consequenties opgesteld die gelden wanneer pesten toch voorkomt.

Wanneer pestgedrag op onze school desondanks de kop opsteekt, geldt het volgende:

  • wanneer pestgedrag is aangetoond, gelden de regels van de desbetreffende groep.
  • wanneer pestgedrag is aangetoond, lost de leerkracht van de betreffende groep het probleem op. Hij/zij kan hiervoor hulp vragen aan een ander teamlid.

Bovenstaande schoolregels gelden voor alle groeperingen!

Ieder schooljaar worden de regels besproken en zonodig aangepast. De regels worden voor iedereen zichtbaar opgehangen in het klaslokaal.

7 Procedure schorsen en verwijderen

Uitgangspunt

De procedure bij het schorsen of verwijderen van een leerling treedt in werking als duidelijk is geworden dat de school geen mogelijkheden meer ziet om op een voor de leerling en de school verantwoorde manier onderwijs te verzorgen voor die leerling. Voorafgaand aan de constatering hiervan dienen er gesprekken te zijn geweest tussen de leerkracht, de leerling en de ouders en tussen de directie, de leerling en de ouders. Die gesprekken hebben tot doel het meningsverschil of het conflict zodanig op te lossen dat er na afloop een voor partijen bevredigende en werkbare situatie ontstaat. Van deze gesprekken worden verslagen gemaakt die aan de ouders ter ondertekening worden aangeboden. Deze verslagen worden in het leerlingendossier bewaard.
Leidt voorgaande niet tot een voor partijen bevredigende oplossing, dan treedt de procedure op directie- c.q. bestuursniveau in werking. Zie daarvoor de Regelingen A-39 en A-40 d.d.
01-01-2001 vastgesteld door het bestuur van de Stichting Sint Bavo. De directeur ziet erop toe dat de ouders/verzorgers van deze regelingen op de hoogte worden gebracht.

Redenen tot schorsing en/of verwijdering

Hierbij kunnen de volgende redenen worden onderscheiden:

Onderwijskundige redenen

Ouders/verzorgers zijn het niet eens met de onderwijskundige maatregelen voor hun kind. Hierbij valt te denken aan doubleren (incl. verlenging van de kleutergroepperiode) of een andere vorm van (speciaal) onderwijs.
Didactische of pedagogische redenen
Ondanks het feit dat ouders/verzorgers bij aanmelding de op school geldende regels onderschreven, gaan zij niet akkoord met het op school heersende didactische en pedagogische klimaat.

Didactische of pedagogische redenen

Een leerling weigert de op school geldende regels na te komen en ook de ouders/verzorgers hebben hun medewerking geweigerd.

Disciplinaire redenen

Agressief, bedreigend gedrag van ouders dat de veiligheid van kinderen en/of teamleden in het geding brengt, leidt tot uitschrijving/verwijdering van het kind/de kinderen van het betrokken gezin.

Procedure

Officiële berisping

De ouders/verzorgers krijgen schriftelijk (per briefpost) bericht waarin wordt gerefereerd aan de eerder gevoerde gesprekken met de leerkracht en (èèn van de leden van) de directie. Een afschrift hiervan gaat naar het bestuursbureau en wordt opgenomen in het dossier van de betrokken leerling.

Schorsing

Als de onder punt 3.1 genoemde maatregel niet tot het gewenste effect leidt, wordt de leerling voor ten hoogste vijf dagen de toegang tot de school ontzegd. In afwachting van de realisering van een met de ouders overeengekomen maatregel, bijv. het overplaatsen naar een andere school voor primair onderwijs, kan deze termijn door de directeur met vijf dagen worden verlengd. De directeur ziet erop toe dat de procedure wordt gevolgd zoals vastgelegd in Regeling A-40.

Verwijdering

Als een schorsing niet tot een oplossing leidt, kan een leerling definitief worden verwijderd.
Beslissingbevoegdheid hiertoe is gemandateerd aan de directeur van de school die in dezen optreedt namens het bevoegd gezag. Een besluit tot verwijdering wordt altijd schriftelijk (per briefpost) aan de ouders/verzorgers meegedeeld.
De ouders/verzorgers hebben het recht bij het bestuur (het bevoegd gezag) bezwaar aan te tekenen tegen het verwijderingsbesluit.
De directeur ziet erop toe dat de ouders/verzorgers van de te volgen procedure schriftelijk in kennis worden gesteld.

Slotbepalingen

Schriftelijke kennisgevingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, 2 en 3 worden ondertekend door de directeur (in zijn afwezigheid door de adjunct-directeur).
Als het meningsverschil dermate hoog oploopt dat een acute oplossing wordt vereist, kan de directeur relevante maatregelen nemen.
In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het bevoegd gezag van de school.

8 Privacy

8.1 Vertrouwelijkheid

Gegevens (in de ruimste zin van het woord) van leerlingen, ouders en personeelsleden zijn vertrouwelijk. Gegevens worden alleen verstrekt door en aan daartoe bevoegde personen/instanties wanneer dat wettelijk verplicht is, of essentieel is voor de behartiging van de belangen van leerlingen, ouders of personeelsleden.

8.2 Gescheiden ouders

Op verzoek van de niet met het ouderlijk gezag belaste ouder ontvangt deze van de leerkracht of directie informatie over de leerprestaties van het kind of andere informatie die
de opvoeding en verzorging betreft - gelijk dit het geval is indien het om de wel met het ouderlijk gezag belaste ouder zou gaan.
De niet met het ouderlijk gezag belaste ouder ontvangt geen andere informatie.

9 Slotbepalingen

9.1 Gedragingen waarover deze code niet spreekt, zijn daarom niet automatisch toelaatbaar.

9.2 Bij de interpretatie van de gedragscode gaan we uit van wat in het Nederlandse maatschappelijk verkeer voor redelijk wordt gehouden.

9.3 Jaarlijks wordt de gedragscode op bestuurs- en directieniveau geÎvalueerd en zonodig aangepast aan nieuwe omstandigheden en inzichten. Voorafgaand aan besluitvorming daarover consulteert de directie het team.

9.4 In gevallen waarin deze gedragscode niet voorziet, beslist het bevoegd gezag.

© 2013 Stichting Sint Bavo | Webdesign: MitZ.nl